Spartax
 

Voordeel van alle aard en kadastraal inkomen: een huwelijk op de klippen?

 
 

Spartax is een internetmedium dat betrouwbare informatie en tools wil aanbieden aan de fiscale professional. Getuige daarvan is de eerste tool inzake de waardering van vruchtgebruik die u kan vinden op www.spartax.eu. Daarnaast wenst Spartax u ook een nieuwsbrief aan te bieden, die niet zomaar de nieuwsfeiten uit de gebruikelijke fiscale nieuwsbrieven herkauwt. Steeds wordt de focus gelegd op één item inzake vastgoedfiscaliteit: een markant precedent, een dreigend gevaar of een verleidelijke opportuniteit. 

Deze bijdrage vertrekt vanuit een eigen insteek en bevat geen gedetailleerde weergave van de problematieken die hier worden besproken. Er wordt eerder een kritische reflectie gemaakt op een hoger niveau om bepaalde tendensen te gaan ontwaren. 

Er is heel veel te doen om vastgoed dat in vennootschappen steekt om vervolgens “gratis” gebruikt worden door de zaakvoerder of bestuurder. Er zijn drie topics die heel kort worden aangesneden in deze nieuwsbrief als aanleiding voor een bezinningsmoment: 

-        de rechtspraak omtrent de discriminatoire vaststelling van het bedrag van het voordeel van alle aard, naargelang dit wordt verstrekt door een rechtspersoon dan wel door een eenmanszaak; 

-        de veelvuldige rechtspraak op het lagere niveau omtrent de zogenaamde verloningstheorie

-        de eventueel aankomende nieuwe wetgeving in verband met de kostenaftrekbeperking van vastgoed dat privaat wordt gebruikt door de bedrijfsleider.


Rechtspraak omtrent de waardering van het voordeel van alle aard

Het voordeel van alle aard wordt anders gewaardeerd afhankelijk van de vraag wie dit verstrekt. Indien dit door een rechtspersoon (meestal een vennootschap) wordt toegekend aan een bestuurder dan wordt het hoger gewaardeerd dan mocht het worden toegekend door een eenmanszaak. Na een eerdere veroordeling van dit onderscheid door het hof van beroep te Gent (24 mei 2016) heeft nu ook recent het hof van beroep te Antwerpen het onderscheid de mantel uitgeveegd (24 januari 2017). De beide hoven hebben geoordeeld dat het onderscheid niet verantwoord is en daarom strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Een voordeel moet immers beoordeeld worden op zijn innerlijke waarde en niet op basis van de identiteit van de verstrekker.  

Zonder in te gaan op de details van de argumentaties van alle betrokken factoren in deze arresten, valt er vrij weinig aan te merken op de redeneringen van de beide hoven van beroep. Om die reden lijkt het weinig twijfel te leiden dat deze argumentatie overal moet worden nagevolgd en dat het wettelijk onderscheid op losse schroeven staat.

 

De verloningstheorie: de revanchetactiek van de administratie

Na de midzomer arresten van het Hof van Cassatie (2015) staat het als een paal boven water dat de fiscale aftrek van kosten van vastgoed niet meer gekoppeld is aan de vraag of deze kosten gemaakt zijn in het kader van het doel of de activiteit van de vennootschap. Prototypisch voor dit verhaal was  de doktersvennootschap die een appartement koopt aan de kust, waarbij de aankoop van een appartement zogezegd niet te rijmen is met de letterlijke lezing van de doelomschrijving van de vennootschap. Zonder meer was dit de grootste fiscale verkrachting van het vennootschapsrecht sinds het befaamde Plumax-arrest, met dien verstande dat het Hof van Cassatie nu zelf de puntjes op de i heeft gezet.

De administratie heeft het hierbij echter niet gelaten. Zij heeft gesteld dat er naast de causaliteitsvoorwaarde (conformiteit met doel en/of activiteit) ook nog de zogenaamde intentionaliteitsvoorwaarde is: "kosten moeten gemaakt worden om belastbare opbrengsten te behouden of te verkrijgen". Deze letterlijke lezing van artikel 49 WIB 1992 is zonder meer correct. Elk deugdelijk advies houdt hier dan ook op voorhand rekening mee. Ondertussen heeft de lagere rechtspraak de handen vol met deze discussie. De vraag wordt altijd gesteld of de zaakvoerder deze (bijkomende) verloning in natura, bestaande uit het gebruik van het appartement, wel verdient. De inzet is de aftrekbaarheid van de kosten in hoofde van de vennootschap.

Opnieuw wordt hier niet ingaan op het detail van deze redeneringen (waaromtrent nochtans veel te zeggen is) maar markant is dat er gevallen zijn die cijfermatig heel duidelijk volkomen in orde zijn maar waarover toch nog tot op het bot moet worden gediscussieerd. De vraag die men zich moet stellen is of eenzelfde diepgaande discussie aan de orde zou zijn mocht de verloning in kwestie worden toegekend in speciën. Daarom kan men het vergelijken met de discussie van artikel 53, 10° WIB 1992. Klassiek is daar het voorbeeld van de Ferrari waarvan de kosten deels worden verworpen omdat deze onevenredig hoog zouden zijn functie van de beroepsbehoeften. Ook daar moet de vraag worden gesteld of er ook maar één haan zou naar kraaien mocht deze vergoeding (het equivalente bedrag van de investering in de Ferrari) worden toegekend als een bezoldiging in speciën.

Het staat buiten kijf dat het toetsen van voormelde intentionaliteitsvoorwaarde zonder meer een gezond principe is om het evenwicht binnen de fiscaliteit (en de kostenaftrek) te bewaren. De vraag is echter of er in vele gevallen niet veeleer sprake is van een vorm van jaloezie, hetgeen flirt met de verboden opportuniteitscontrole. Daarnaast is het er allicht niet vreemd aan dat dit voordeel in hoofde van de gebruiker soms (maar zeker niet altijd, integendeel) voordelig wordt belast. De belastbare grondslag is immers in vele gevallen beduidend lager (maar soms hoger) dan het reële genot dat de gebruiker er van heeft. De vraag die dan moet gesteld worden is of het kadastraal inkomen überhaupt wel voldoende adequaat of aangepast is om als maatstaf te dienen voor het vaststellen van de belasting op het “gratis” gebruik.

Er is recent reeds gesproken over de grootscheepse oefening bestaande uit de aanpassing van de bedragen van de kadastrale inkomens teneinde dit weer recht te trekken. Echter blijkt dat ontzettend veel werk. Als dat alleen al vergeleken wordt met de discussies die ontstaan op fiscale controle omtrent de juiste huurwaarde voor de waardering van vruchtgebruik (zie de eerdere nieuwsbrief in dat verband), dan moet worden ingezien dat elke individuele aanpassing voer zal geven tot ellenlange discussies en mogelijk zelfs gerechtelijke gedingen waardoor deze grootscheepse aanpassing een calvarietocht zonder voorgaande wordt.

Voorts kan men zich de vraag stellen of een dergelijke aanpassing in één beweging wel maatschappelijk verantwoord is. Niet alleen het vastgoed in vennootschappen wordt geviseerd door een dergelijke aanpassing. Ook bijvoorbeeld de kleine arbeiderswoning van een werknemer met een minimumloon kan bijvoorbeeld worden herzien of van de bejaarde die moeizaam de eindjes aan elkaar knoopt. Ook deze mensen zouden een aanpassing goed voelen, alleen al door de aanpassing van het bedrag van de onroerende voorheffing. Het is ook niet te vergelijken met de recente aanpassing van het voordeel van alle aard voor bedrijfswagens (in functie van de CO2 uitstoot). Een dergelijke aanpassing werkt immers ook normerend en de rotatie van bedrijfswagens ligt sowieso vast op vier à vijf jaar. Bij vastgoed gaat deze vlieger niet op. Vaak zit men letterlijk en figuurlijk vast aan de eigen woning zodat men deze niet eenvoudig kan inruilen voor een "KI-vriendelijker” model.

 

Nieuwe wettelijke beperking van de kostenaftrek?

In het kader van het tax shift II wordt onder meer met de idee gespeeld om de kostenaftrek van vastgoed in vennootschappen dat privaat wordt gebruikt door de bedrijfsleider, te beperken. Meer bepaald zou men de kostenaftrek jaarlijks beperken tot het bedrag waarop die bedrijfsleider wordt belast in de personenbelasting. Naarmate de kosten dus hoger zijn dan het belastbaar voordeel zou dit niet als fiscale kost worden aanvaard in hoofde van de vennootschap. Opnieuw is dit een staaltje van knip en plak werk om de fiscaliteit van vastgoed aan te passen. 

Economisch gezien roept deze duidelijke stellingname echter vele vragen op. Het meest vergelijkbaar met deze terbeschikkingstelling aan de zaakvoerder is de situatie van de verhuur aan derden. Echter moet men ook daar inzien dat de kosten bij aanvang veel hoger zijn dan de directe/zichtbare inkomsten. In de cashflow manifesteert zich dat heel duidelijk omdat, als men een pand aankoopt om het te verhuren en daar een belangrijk krediet voor aangaat, de huur nooit volstaat om de bankaflossingen te voldoen. De uitgaven lijken groter dan de inkomsten. Echter is dit slechts schijn. Het is immers zo dat de terugverdientijd gewoon langer is: de huur blijft immers "eeuwig "doorlopen terwijl het krediet na 15 of 20 jaar is afbetaald. Bovendien realiseert de eigenaar vaak ook een meerwaarde die echter onzichtbaar blijft als opbrengst tot dat ze ook effectief wordt gerealiseerd. Het met oogkleppen op vergelijken van de zichtbare korte termijnopbrengsten (huur) met de kosten, die vaak bij aanvang ook nog even hoger zijn dan in andere jaren, lijkt aldus economisch volledig ongefundeerd. Voor alle duidelijkheid wordt echter nogmaals benadrukt dat deze situatie (= verhuur aan derden) niet wordt geviseerd door de eventuele nieuwe wetgeving.

Indien echter de kostenaftrek voor de panden die ter beschikking worden gesteld aan de bedrijfsleider in het kader van de verloningspolitiek of verhuurd worden aan deze bedrijfsleider, wordt aan banden gelegd, dan lijkt dit een ongeoorloofde discriminatie in te voeren. De economische situatie is immers perfect vergelijkbaar met die van verhuur aan derden en het valt dan ook niet in te zien waarom in het ene geval de kostenaftrek moet worden beperkt en in het andere geval niet. Er is, zo leert de vergelijking met die verhuur aan derden, ook geen enkel economisch argument waarom de kosten overdreven zouden zijn en dus beperkt moeten worden.

 

Besluit: de tang en het varken

De drie voorgaande topics wijzen allen unisono in dezelfde richting. De formule van artikel 18 KB WIB 1992 is niet (meer) aangepast aan haar doelstelling. Het kadastraal inkomen is duidelijk niet meer passend om in een adequate belastingheffing te voorzien. Zolang men dit niet inziet en niet op een meer systematische wijze ingrijpt, blijft deze frustratie vanwege de  administratie zich manifesteren in discussies in de marge zoals de bovenstaande. Niet alleen lijken deze discussies in vele gevallen onterecht en te weinig gefundeerd. Bovendien is dit zeer frustrerend voor de bona fide belastingplichtigen die op de duur toch lijden onder een totaal gebrek aan rechtszekerheid. Aan de andere kant lijken te bruuske wetswijzigingen ook uit den boze, aangezien bepaalde groepen – die doorgaans al als de belangrijkste sponsors van de schatkist mogen worden gezien – plots geconfronteerd zouden worden met hogere belastingen waaraan ze voor langere tijd vast zitten (cf. de eerder aangehaalde trage rotatiesnelheid van vastgoed).

Een transparante overheid moet het werk volledig opnieuw maken en de systematiek van de belasting grondig hertekenen in plaats van links en rechts proberen bij te schaven. Van een oldtimer kan men immers ook een sportbolide meer maken. Het zou de overheid en de belastingplichtige alvast vele gerechtelijke discussies besparen.

Indien u vragen, suggesties of opmerkingen heeft omtrent deze nieuwsbrief, contacteer ons dan zeker op info@spartax.eu. Surf ook even naar onze website www.spartax.eu om te zien wat wij allemaal te bieden hebben.

 

Spartax

T: 0488/79.83.03
https://www.spartax.eu
info@spartax.eu