Spartax
 

Vlabel always rings twice: sequel-thriller bij de uitbreng van vastgoed uit de vennootschap

 
 

Spartax is een internetmedium dat betrouwbare informatie en tools wil aanbieden aan de fiscale professional. Getuige daarvan is de eerste tool inzake de waardering van vruchtgebruik die u kan vinden op www.spartax.eu. Daarnaast wenst Spartax u ook een nieuwsbrief aan te bieden, die niet zomaar de nieuwsfeiten uit de gebruikelijke fiscale nieuwsbrieven herkauwt. Steeds wordt de focus gelegd op één item inzake vastgoedfiscaliteit: een markant precedent, een dreigend gevaar of een verleidelijke opportuniteit.

Vastgoed uit de vennootschap halen

Vastgoed wordt om diverse redenen vaak aangehouden in een vennootschap maar het komt dan ook veelvuldig voor dat er zich een aanleiding voordoet om het onroerend goed uit de vennootschap te halen en over te dragen aan de vennoten of aandeelhouders. Meer achtergrond hierbij kan gelezen worden in een vorige nieuwsbrief met betrekking tot dit topic (vandaar ook de titel), waar er al eerder sprake was van enige ophef bij een beslissing van Vlabel dienaangaande.

Een complexe regelgeving

Op het vlak van de registratierechten kent een dergelijke onttrekking (officieus ook wel de “uitbreng” geheten als antipode van de inbreng) een eigen behandeling, die een tikkeltje ingewikkeld is en dus voer voor de liefhebbers van het abstractere werk. Voor kapitaalvennootschappen zoals de naamloze vennootschap is dit eenvoudig, aangezien in welke omstandigheid ook het verkooprecht (10,00 of 12,50% naargelang het gewest) van toepassing is. Voor personenvennootschappen, met als vaandeldrager de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba), wordt het dan weer een oefening met een gedifferentieerde diepgang. In beginsel is hier ook het verkooprecht verschuldigd, zij het dat er uitzonderingen mogelijk zijn waarbij slechts € 50,00 of 2,50/1,00% (opnieuw gewestafhankelijk) verschuldigd is. 

De idee hier achter is dat er voor de toepassing van deze rechten een zekere identiteit wordt gezien tussen de personenvennootschap en haar vennoten. Wat vermogen is van deze vennootschap, is in feite indirect vermogen van de vennoot. Zodoende vindt de wetgever het niet nodig om een overdracht van onroerend goed te belasten als een volwaardige overdracht, aangezien het onroerend goed eigenlijk al min of meer van de vennoot zelf was. Daartoe wordt wel vereist dat bijvoorbeeld (= één van de twee uitzonderingsgevallen) de vennoot in kwestie reeds vennoot was ten tijde van de aankoop (met registratierechten).  

Finaal is er ook nog een wachtregeling, waarbij de uiteindelijke vaststelling van de toepasselijke rechten wordt uitgesteld tot het tijdstip van een latere uitonverdeeldheidtreding (gelet op het beperkte bestek van deze nieuwsbrief wordt dit buiten beschouwing gelaten). 

De heffing “volgens de werkelijke aard” 

Indien men aan de eerste voorwaarden (vb. het zijn van het “historische vennoot”) voldoet, betekent dat niet dat ipso facto genoten kan worden van de verlaagde tarieven. In dergelijk geval valt enkel de automatische toepassing van het verkooprecht weg. Zodoende ligt de weg open om de verrichting te gaan taxeren volgens haar werkelijke aard. Is dit een koop-verkoop, dan zijn alsnog de verkooprechten van toepassing. Is dit een vereffening waarbij het volledige vermogen automatisch toevalt aan de enige vennoot, dan is dit een feit dat alsdan slechts belastbaar is met € 50,00. Zijn er in het laatste geval twee vennoten waarvan het onroerend goed wordt toebedeeld aan één van hen, dan is er sprake van een uitonverdeeldheidtreding en zijn de verdelingsrechten van toepassing.

Uitkering uit eigen vermogen 

Van oudsher was het al duidelijk dat de ontbinding met vereffening aanleiding kan geven tot deze verlaagde rechten en reeds lang wordt ook aanvaard dan een kapitaalvermindering dezelfde voordelen met zich kan mee brengen. Of andere uitkeringen uit eigen vermogen daartoe in aanmerking komen, zoals de verkrijging van eigen aandelen of de dividenduitkering, bleef officieel steeds een open vraag. Naar verluidt heeft de federale overheid, toen deze ook nog bevoegd was voor Vlaanderen, destijds een beslissing genomen dat de dividenduitkering in beginsel aan hetzelfde regime onderhevig was als de vereffening en de kapitaalvermindering (E. Spruyt, “Onttrekking onroerend goed uit bvba via dividend in natura: verkooprecht volgens Vlabel”, Fisc. Act. 2017, afl. 2, p. 1-5). Deze beslissing is evenwel nooit officieel bekend gemaakt.

Vlabel als onbeschreven blad 

Zoals ook in de eerdere nieuwsbrieven aangehaald, durft Vlabel (= de recent bevoegd gemaakte overheid) al eens creatief en onverwacht uit de hoek komen. In een evenzeer niet gepubliceerde beslissing (ibidem) zou Vlabel kort en bondig hebben geantwoord dat een dividenduitkering een overdracht is ten bezwarende titel en bijgevolg conform de beginselen van de registratierechten getarifeerd wordt met het verkooprecht. Ondanks het feit dat de invoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit geen inhoudelijke wijzigingen met zich zou hebben meegebracht volgens de parlementaire voorbereiding, gooit Vlabel het roer hier eens te meer resoluut om.

Dit standpunt was reeds enige tijd naar de oppervlakte aan het stijgen, zo kon men enige tijd geleden reeds incidenteel vaststellen, maar is hiermee (officieus) een feit. 

Hevige kritiek

Voormelde rechtsleer spaart zijn kritiek niet op de nieuwe beslissing. Het cruciale punt is dat een dividenduitkering geen overdracht “ten bezwarende titel” is. Zonder dat hieromtrent reeds een detailstudie is doorgevoerd, die in wezen een puur vennootschapsrechtelijke vraag is die geen uitstaans heeft met registratierechten (is Vlabel daarvoor dan de meest beslagen analist?), valt er op het eerste gezicht inderdaad veel te zeggen voor deze kritiek. De inbreng in een vennootschap, met uitgifte van aandelen als tegenprestatie, is zonder meer een handeling ten bezwarende titel. De dividenduitkering, die een eenzijdige beslissing is vanwege de algemene vergadering, zonder (volkomen) inspraak of tegenprestatie vanwege de vennoot, lijkt dat inderdaad helemaal niet. De dividenden zijn enkel de vruchten of opbrengsten van de aandelen an sich, maar vormen helemaal geen nieuwe transactie ten bezwarende titel.  

Voorts kan men zich de vraag stellen hoe het kan dat een vereffening, waarbij doorgaans toch ook reserves worden uitgekeerd, (blijkbaar) niet als een overdracht ten bezwarende titel wordt aanzien voor de toepassing van deze regelgeving terwijl dat wel het geval zou zijn bij een gewone uitkering van reserves (= dividenduitkering). 

Niettemin kan men ook niet volledig blind blijven voor het intuïtieve aanvoelen van Vlabel. Naar analogie zou men kunnen verwijzen naar het verstrekken van een lening, waarbij de intresten (= de vruchten van de lening zoals de dividenden de vruchten van de aandelen zijn) per hypothese contractueel worden vergoed door de overdracht van onroerende eigendomsrechten. Het aanvoelen is ook daar meteen dat er verkooprechten zullen verschuldigd zijn. Niettemin lijkt het een beetje appelen met peren vergelijken. Bij een lening staat het ab initio vast dat er intresten zullen worden betaald en maakt dit inherent deel uit van de vergoedingsregeling (cf. ten bezwarende titel). Indien men aandelen aanhoudt, is men als vennoot geenszins zeker dat men ooit een dividend zal krijgen en zo men er al een zou krijgen, wanneer dit zou gebeuren, voor welk bedrag en onder welke vorm (cf. dividenduitkering in speciën of in natura). Het dividend maakt aldus geen deel uit van de vergoeding van de inbreng en valt aldus buiten het domein van de “bezwarende titel”. Zo kan het zelfs voorvallen dat een minderheidsaandeelhouder tegen zijn zin een dergelijk dividend zou krijgen en dus ongevraagd registratierechten zou moeten betalen… 

Uiteraard is dit een materie die het verdient nog veel verder te worden geanalyseerd. De complexiteit en vooral het abstracte karakter van de materie kunnen jammer genoeg nogal snel aanleiding geven tot bokkensprongen in een redenering die uitmonden in een soms vreemd aandoend besluit. De cirkel wordt rond gemaakt met verwijzing naar de bovenstaande ratio legis. Van oudsher was het in principe de bedoeling van de wetgever om elke onttrekking te belasten met de verkooprechten maar men heeft in een uitzondering voorzien voor de personenvennootschappen om de hierboven geciteerde reden. Indien men de uitzonderingen op de heffing van het verkooprecht zo eng begint te interpreteren (of het “bezwarend karakter” zo ruim), dan ontneemt men elk nut of zelfs elk voorwerp aan deze uitzonderingen en handelt men in strijd met de ratio legis. Zoals gezegd lijkt dit trouwens helemaal niet te verenigen met de bestaande visie op vereffeningen en kapitaalverminderingen, tenzij men ook daar zou op terugkomen… (gelukkig zijn er al voldoende beslissingen van Vlabel die aantonen dat men deze beweging niet wenst te maken).  

De ruling als bron van rechtsonzekerheid 

Wat er ook van zij en met het volste respect voor Vlabel, individuele rulings en de rulingpraktijk in het algemeen hebben de uitsluitende bedoeling om rechtszekerheid te creëren. Alle recente capriolen van Vlabel zijn intellectueel geestig te noemen maar roepen veel (gegrond) protest op en lijken als het ware de revolutie te prediken ten opzichte van de gevestigde waarden en zienswijzen. Nogmaals dient er op gewezen te worden dat dit in schril contrast staat met de beweringen in de parlementaire voorbereiding. Voor de belastingplichtige is het bovendien ronduit bedroevend. De wereld moet immers vooruit en vastgoedtransacties maken daar deel van uit. Op Vlaams niveau heeft dit echter iets van een Russische roulette. Men weet nooit wie het volgende “slachtoffer” wordt van het nieuwste wijzigende standpunt. De overheid zou nochtans ten dienste moeten staan van de rechtsonderhorige en niet omgekeerd. Wat is bovendien het nut van gecodificeerde wetgeving als revolutionaire interpretaties er plots iets helemaal anders in gaan lezen? Emotie is zelden een goede leidraad in deze maar een rustige bezinning van tijd tot tijd is dat des te meer. Wat is de drijfveer om standpunten stelselmatig te veranderen? En zal Vlabel nog kunnen functioneren op lange termijn? Indien immers verschillende rechtsgedingen zouden worden ingesteld (per hypothese met succes) door belastingplichtigen, dan ligt de geloofwaardigheid van Vlabel aan diggelen. Dergelijk fenomeen luidt dan niet zelden de start in van de burgerlijke ongehoorzaamheid… 

Indien u vragen, suggesties of opmerkingen heeft omtrent deze nieuwsbrief, contacteer ons dan zeker op info@spartax.eu. Surf ook even naar onze website www.spartax.eu om te zien wat wij allemaal te bieden hebben.

 

Spartax

T: 0488/79.83.03
https://www.spartax.eu
info@spartax.eu