Spartax
 

Fusie als wederbelegging

 
 

Spartax is een internetmedium dat betrouwbare informatie en tools wil aanbieden aan de fiscale professional. Getuige daarvan is de eerste tool inzake de waardering van vruchtgebruik die u kan vinden op www.spartax.eu. Daarnaast wenst Spartax u ook een nieuwsbrief aan te bieden, die niet zomaar de nieuwsfeiten uit de gebruikelijke fiscale nieuwsbrieven herkauwt. Steeds wordt de focus gelegd op één item inzake vastgoedfiscaliteit: een markant precedent, een dreigend gevaar of een verleidelijke opportuniteit.

De vraag of een inbreng in het kader van een (belastingvrije) fusie kan kwalificeren als een herbelegging in het kader van een gespreide belasting van meerwaarden, heeft reeds vele pennen beroerd. Zo is er onder andere het arrest geweest van het Hof van Beroep te Gent van 25 juni 2013, waarbij gesteld werd dat dit inderdaad een kwalificerende herbelegging kan uitmaken. Nadien heeft ook vele rechtsleer zich over de kwestie gebogen.

De Minister van Financiën werd ook al geïnterpelleerd over deze materie. De eerste maal gebeurde dit in 2013 maar de Minister hield zich toen nog half op de vlakte met het “politieke” antwoord dat (1) het algemene neutraliteitsbeginsel op zich niet volstond om de inbreng te weigeren als wederbelegging en (2) dat de administratie de problematiek zou onderzoeken. Vorige maand is dan een vervolg gepubliceerd op deze saga (Vr. en antw. Kamer, 2015-2016, nr. 62, p. 302-303, vr. nr. 616, dhr. Van Biesen) waarin de Minister glashelder stelling inneemt

  1. De inbreng van bijvoorbeeld een machine (of een vastgoed) (aangehouden door de overgenomen vennootschap) als gevolg van een (belastingvrije) fusie (of splitsing) geldt als wederbelegging in het kader van de gespreide taxatie van meerwaarden in hoofde van de overnemende of verkrijgende vennootschap;

  2. De wederbeleggingswaarde (cf. de volledige verkoopprijs moet worden weder belegd om de meerwaarde gespreid te kunnen belasten) is gelijk aan de netto-boekwaarde van het overgedragen actief op het ogenblik van de fusie; van belang lijkt in deze de fiscale boekwaarde te zijn en de “datum van de fusie” zal allicht de dag voorafgaand aan de datum van de boekhoudkundige en fiscale retroactiviteit zijn; 

  3. De spreiding van de belasting van de meerwaarde zal vervolgens geschieden a rato van de (resterende) afschrijvingen op het overgedragen actief. 

Het antwoord van de Minister heeft op zijn minst de verdienste van de duidelijkheid. Echter is het de vraag of dit standpunt, ook al wordt het door velen bijgetreden tot zelfs vurig verdedigd, wel juridisch zo correct kan bevonden worden binnen de huidige teksten van de wet. De gespreide belasting van meerwaarden wordt immers geregeld en omschreven in artikel 47 WIB 1992. Dit artikel legt onder andere strikte termijnvoorwaarden op om tot gespreide belasting te kunnen overgaan en de minste overschrijding van de termijnen geeft aanleiding tot het verval van de mogelijkheid om gespreid te kunnen belasten.

Anderzijds bepaalt artikel 212 WIB 1992 in het kader van de fusie en splitsing dat “de fusie of splitsing […] niet tot gevolg [mag] hebben dat de oorspronkelijke termijn voor herbelegging van de aan die voorwaarden onderworpen meerwaarden wordt verlengd.” Minstens in een bepaalde lezing kan men zich de vraag stellen of dit geen beletsel opwerpt aangezien – in het voorbeeld van de Minister – “oude” investeringen, die op zich al lang niet meer zouden kwalificeren als voldoende wederbeleggingen, nu plots wel voldoende worden geacht via de omweg van de fusie. Is dit dan geen verlenging van de termijn?

Gelet op de structuur van de wettekst (en van het wetboek in zijn totaliteit, ook al is dit strikt juridisch van geen tel) lijkt dit evenwel geen geldig tegenargument te zijn. De termijn van wederbelegging (in hoofde van de overnemende vennootschap) wordt niet beïnvloed, enkel de “leeftijd” van het wederbeleggingsactief wordt terzijde gelaten. Hetzelfde zou immers gebeuren bij de aankoop van een tweedehands actief (terwijl het hier gaat om de inbreng van een tweedehands actief), zij het dat de afschrijvingsduur (en de bijhorende gespreide taxatie) dan wel langer zou zijn. Artikel 212 WIB 1992 focust tenslotte enkel op het overgedragen vermogen (en hoe dit geïmputeerd wordt bij de overnemende vennootschap) en dus niet op het vermogen van de overnemende vennootschap. Dit blijft onverkort bestaan en bij gebreke aan een andersluidende wettekst wordt de inbreng naar aanleiding van een (belastingvrije) fusie niet anders behandeld dan een andere inbreng of aanschaffing (behalve het feit dat er in dergelijk geval geen continuïteit van afschrijvingsritme is). Zodoende lijkt de Minister het zonder meer bij het rechte eind te hebben.

Niettemin blijft het wel oppassen geblazen om twee redenen: 

  1. Een fusie kan maar belastingvrij geschieden indien zij niet plaats vindt om hoofdzakelijk fiscale redenen en een gespreide taxatie kan – als wettelijk fiscaal voordeel – ook maar genoten worden als daarvan zelf geen misbruik wordt van gemaakt; zodoende moet gewaarschuwd worden voor fusies of splitsingen waarvan de werkelijke bedoeling voornamelijk gelegen is in het genieten van de gespreide belasting van meerwaarden door het samenbrengen van meerwaarde en investering; de fusie zou immers belast kunnen worden en/of het voordeel van de gespreide taxatie zou geweigerd kunnen worden (al naargelang de concrete omstandigheden);

    Enkel goed doordachte en verantwoorde dossiers kunnen dus met zekerheid in aanmerking komen als wederbelegging; het lijkt daarbij van het grootste belang – zoals altijd – om het dossier voorafgaand goed op te bouwen en te screenen; 

  2. In alle wetsbepalingen van het wetboek van inkomstenbelastingen is de richting van de fusie neutraal... of toch nagenoeg in alle bepalingen…; indien de overnemende vennootschap immers houder is van de investering en de overdragen/te splitsen vennootschap titularis is van de wederbeleggingsverplichting in het kader van de gespreide taxatie, dan lijkt de vlieger van de “wederbelegging door fusie” niet met zekerheid op te zullen gaan; artificiële omkeringen van de fusierichting trekken bovendien de aandacht en kunnen fiscaal passend worden beteugeld door de administratie.

De moraal van het verhaal is dat het antwoord van de Minister een welkome geruststelling is in situaties waarin een gewenste fusie of splitsing toevallig ook een oplossing kan bieden voor het wederbeleggingsvraagstuk. Niettemin moet men er zich voor hoeden de fusie of splitsing daardoor als een “product” te zien waarmee eender welk wederbeleggingsvraagstuk kan worden opgelost. Er kan in deze immers sneller sprake zijn van fiscaal misbruik dan men zou denken.

Indien u vragen, suggesties of opmerkingen heeft omtrent deze nieuwsbrief, contacteer ons dan zeker op info@spartax.eu. Surf ook even naar onze website www.spartax.eu om te zien wat wij allemaal te bieden hebben.

 

Spartax

T: 0488/79.83.03
https://www.spartax.eu
info@spartax.eu