Spartax
 

Belasting van de interne meerwaarde = handrem op de economie

 
 

Spartax is een internetmedium dat betrouwbare informatie en tools wil aanbieden aan de fiscale professional. Getuige daarvan is de eerste tool inzake de waardering van vruchtgebruik die u kan vinden op www.spartax.eu. Daarnaast wenst Spartax u ook een nieuwsbrief aan te bieden, die niet zomaar de nieuwsfeiten uit de gebruikelijke fiscale nieuwsbrieven herkauwt. Steeds wordt de focus gelegd op één item inzake vastgoedfiscaliteit: een markant precedent, een dreigend gevaar of een verleidelijke opportuniteit.

Het werken met holdingstructuren is zeker niet alleen weggelegd voor het beheer van vastgoed maar is ook daar bij grotere vermogens vrij courant. Om die reden staat de huidige nieuwsbrief stil bij een sluipende fiscale inconsistentie bij fiscale wetgeving in wording, die evenwel een veel ruimer draagvlak heeft dan vastgoedfiscaliteit alleen.

Het debat over de verschuiving van de fiscale lasten is immers volop aan de gang. In deze bijdrage wordt aandacht besteed aan twee punten daarvan en vooral aan hun onderlinge samenhang, aangezien deze klaarblijkelijk te weinig wordt onderkend met alle potentieel negatieve gevolgen van dien. Meer bepaald gaat dit om de “belasting van meerwaarden op aandelen” en de zogeheten “interne meerwaarde”. De doelstelling van deze bijdrage is niet om kritiek te uiten op welk politiek beleid dan ook maar is louter een waarschuwing voor een belangrijke technische tegenstrijdigheid die in het politieke debat duidelijk verloren dreigt te gaan.

Vooreerst moet uiteraard duidelijk worden gesteld waarover de beide punten gaan. De belasting van de meerwaarde op aandelen is daarbij vrij evident. Dit komt er op neer dat als aandelen worden verkocht aan een hogere prijs dan diegene waarvoor ze zijn verkregen, een belasting wordt geheven op de winst (= de meerwaarde) die daarbij wordt gerealiseerd. De interne meerwaarde is dan weer iets technischer. Indien men aandelen heeft in een vennootschap A, dan kan men deze aandelen inbrengen in een nieuwe/andere vennootschap B die men bezit (waardoor de betrokken aandeelhouder geen aandeelhouder meer is van A maar wel van B, die op haar beurt de houdster is van alle aandelen van de vennootschap A – reden waarom B in het jargon ook de houdstervennootschap of holding wordt genoemd). Courant is dat de betrokken aandeelhouder de vennootschap A destijds heeft opgericht of verworven tegen een relatief beperkte waarde (aangezien het nog een jonge onderneming betrof) terwijl die waarde op het ogenblik van de inbreng in B veel hoger is. Die hogere waarde wordt op het ogenblik van de inbreng als het ware “vastgeklikt” en voor eenzelfde bedrag wordt zogenaamd “fiscaal gestort kapitaal” gevormd. Een belangrijke eigenschap van dit kapitaal is dat het later belastingvrij – i.t.t. dividenden die straks zullen belast worden aan 30,00% - kan worden uitgekeerd aan de aandeelhouder. Vanuit een bepaalde invalshoek kan dit aanzien worden als een behoorlijke fiscale bonus.

Er is echter meer dan dat. Dergelijke verrichtingen, hetzij een verkoop, hetzij een inbreng, worden normaliter verricht om heel andere redenen dan fiscale bevoordeling (mocht dit laatste toch het geval zijn, dan kan de fiscus daar zeer goed tegen optreden (artikel 90, 9° WIB 1992 ingeval van een verkoop en artikel 344 § 1 jo. 18, 1° WIB 1992 ingeval van een interne meerwaarde)). Opnieuw is dit voor de verkoop van aandelen vrij eenvoudig te begrijpen. Men wil gewoon zijn aandelen overdragen om er mee te kunnen stoppen en te genieten van de verkoopprijs, punt. In het geval van de interne meerwaarde is opnieuw wat meer achtergrondkennis vereist. Heel rudimentair geschetst bestaat de vaakst voorkomende bestaansreden van een dergelijke holding er in een financiële draaischijf te moeten hebben voor het alloceren van winsten aan nieuwe investeringen. Meer bepaald gaat dit doorgaans over groeibedrijven, die hun winsten wensen te investeren in andere vennootschappen (vb. nevenactiviteit van de groep, vastgoedpoot, etc.) aangezien groeibedrijven er om diverse redenen die niet van fiscale aard zijn maar al te goed aan doen om te werken met verschillende vennootschappen. Indien men geen holding heeft dan zou bij elke definitieve overdracht van middelen van één van de groepsvennootschappen (met winst) naar een andere groepsvennootschap (met investeringsambitie) 30% verliezen aan roerende voorheffing, terwijl het enkel gaat om het verschuiven van middelen binnen de onderneming sensu lato. Men kan het vergelijken met geld overschrijven van de zicht – naar de spaarrekening. Dit is geen extra verdiend geld dus is het maar billijk dat er geen extra belasting wordt op betaald.

Hoe de nieuwe fiscale spelregels er zullen uitzien, is nog koffiedik kijken. De volgende contouren lijken zich evenwel reeds af te tekenen:

-          Meerwaardebelasting op aandelen: de CD&V is heel duidelijk pro een belasting van deze meerwaarden, zij het met een hele resem uitzonderingen (cf. de nota “Peeters”); de andere partijen lijken er alvast minder warm voor te lopen (o.m. gelet op wat over de laatste nota van de Minister van Financiën kan worden vernomen); het zou dus goed kunnen dat dergelijke belasting er niet komt of minstens dat deze belasting niet absoluut is en veel ruimte laat voor uitzonderingen/vrijstellingen (vb. voor kmo’s); 

-          Interne meerwaarde: in de presentatie van de begroting is reeds voorzien dat dit wordt “aangepakt” en een jaarlijkse begrotingsopbrengst van amper € 31.000.000,00 wordt voorzien (wat in schril contrast staat met de gigantische bedragen die gepaard gaan met deze holdingstructuren); er kon ook reeds opgevangen worden dat alleen inbrengen vanaf 2017 zullen worden geviseerd maar dat bestaande structuren verscherpt zullen worden gecontroleerd; verwacht wordt door velen dat de inbrengen in holdingen nog steeds belastingvrij zullen kunnen maar dat de latere belastingvrije kapitaalverminderingen onmogelijk zullen worden (technisch zou de inbrengmeerwaarde gekwalificeerd worden als een belaste reserve in hoofde van de holding).

Indien deze combinatie, te weten een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de meerwaarden op aandelen en de schrapping van de belastingvrije uitkering naar aanleiding van een interne meerwaarde, werkelijkheid zou worden dan zou dit echter getuigen van een grote fiscale inconsistentie die bovendien de economische motor zou laten sputteren.

Ingeval van een groeiscenario heeft men immers vaak nood aan een holdingstructuur, zoals hierboven geschetst, om nieuwe investeringen te faciliteren. Indien men dan later – bijvoorbeeld naar aanleiding van het pensioen – de zaak zou willen verkopen, dan komt men doorgaans tot de vaststelling dat een overnemer al zijn eigen (holding)structuur heeft en dus geen enkele interesse heeft in de holding van de verkoper. Niettemin zou de verkoop van de holdingaandelen bijzonder aangenaam zijn voor de verkoper, aangezien deze dan zijn holdingaandelen zou kunnen verkopen onder het systeem van de vrijstelling van belasting op de aandelenmeerwaarde. In de praktijk lukt dit meestal echter niet (en omzeilingen daarvan lijken fiscaal evenzeer een vogel voor de kat). Zodoende zal de holding haar deelneming in de werkvennootschappen (belastingvrij) verkopen en dient de holding dan de verkoopopbrengst desgewenst uit te keren aan de aandeelhouder van die holding.

Onder de bestaande wetgeving (belastingvrije verkoop + belastingvrije uitkering) is dit een neutraal gegeven, aangezien de uitkering door de holding ook belastingvrij kan. In de nieuwe wetgeving dreigt dit doorkruist te worden, met name dreigen holdingeigenaars het fiscale kind van de rekening te worden bij een verkoop van aandelen. Meer bepaald zouden zijn hun aandelen belastingvrij kunnen verkopen vanuit de holding maar vervolgens 30,00% belastingen moeten betalen op de uitkering van deze winst aan henzelf. Indien zij daarentegen geen holding zouden hebben, zou de verkoopopbrengst fiscaal vrijgesteld kunnen opgestreken worden. En net daar dreigt natuurlijk het economisch-fiscale dilemma, aangezien het kiezen is tussen belastingvrij investeren en belast verkopen (= met holding) of belast investeren en belastingvrij verkopen (= zonder holding). In het tweede geval zet dit natuurlijk een ernstige rem op de economische motor, aangezien investeren bezwaarlijk loont indien men start met een handicap van 30,00%. De mogelijk nieuwe fiscale wetgeving zou de ondernemer heel bewust aan het twijfelen brengen of verder groeien wel een optie is en of kalmpjes aan voortboeren zonder economisch potten te breken in het zicht van de belastingvrijstelling niet de betere optie is.

De conclusie is dan ook dat de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen en de figuur van de interne meerwaarde hand in hand gaan. Indien men één ervan zou vrijstellen en de andere belasten, dan is dit fiscaal totaal niet consistent en zelfs heel bezwarend voor de economische groei. Uiteraard is er geen enkel beletsel voor extra gerichte controles of zelfs aangescherpte wetgeving om vermeende misbruiken te beteugelen, integendeel. Het risico is echter reëel dat men het kind met het badwater weggooit en dus moet men zeer voorzichtig zijn bij de implementatie van dergelijke maatregelen.

Voor al wie geïnteresseerd is in de nieuwe fiscale maatregelen kan trouwens tevens verwezen worden naar het seminarie van M&D-seminars “Veranderingen op het vlak van vennootschapsbelasting na de tax shift II” van 5 december 2016 met Robin Messiaen (onder voorbehoud van het effectief invoeren van de tax shift uiteraard, gelet op het eerdere uitstel). U leest er meer over op deze link.

Indien u vragen, suggesties of opmerkingen heeft omtrent deze nieuwsbrief, contacteer ons dan zeker op info@spartax.eu. Surf ook even naar onze website www.spartax.eu om te zien wat wij allemaal te bieden hebben.

 

Spartax

T: 0488/79.83.03
https://www.spartax.eu
info@spartax.eu